Martijn opent 11e consulaat van Oeteldonk met rubberen laarzen en visnetje
Berlicum heeft sinds vrijdag een eigen Oeteldonks consulaat, maar het is vooral symbolisch. Het was maar elf minuten open, en de consul Martijn van Bebber was niet bereikbaar. "Ik heb het te druk met feesten", zegt hij lachend. Na die korte tijd werd het bordje geslôte opgehangen en blijft het consulaat dicht tot volgend jaar. "Het is gewoon een ludieke manier om buiten Den Bosch mee te doen aan de tradities van Oeteldonk."
Het idee voor het consulaat ontstond in 2012, toen Rob van de Laar, een Oeteldonker die naar Rosmalen verhuisde, problemen kreeg met het ophangen van de Oeteldonkse vlag. Daarom richtte hij een consulaat op, zodat hij het recht had om de vlag te hijsen, ook al woonde hij niet meer in Den Bosch.
Er zijn inmiddels consulaten in onder meer Oisterwijk, Den Haag, Maastricht en Vlijmen, en nu ook in Berlicum. “Ik woon hier al vijftien jaar, maar vier nog elk jaar carnaval in Oeteldonk”, zegt Martijn. “Met de drukte in Den Bosch dacht ik, als ik hier een consulaat open, kunnen mensen ook hier Oeteldonks carnaval vieren.”
“Ik ben wel in Den Bosch verwekt, staat in de brief van mijn moeder.”
Zomaar een consulaat openen, dat gaat niet. Een consul moet aan strenge eisen voldoen. Zo mogen alleen geboren en getogen Oeteldonkers zich aanmelden. Maar dat was voor Martijn eigenlijk al een probleem: hij is geboren in het ziekenhuis in Tilburg. “Mijn moeder heeft daarom een brief geschreven. Daarin legde ze uit dat ik wel in Den Bosch ben verwekt. Gelukkig vonden ze dat overtuigend genoeg”, zegt hij lachend.
Daarna volgde een sollicitatie bij de stamkroeg van andere consuls. De 50-jarige Bosschenaar moest binnenkomen met rubberlaarzen, een visnetje en een carnavalsmuts, en het Oeteldonkse volkslied zingen. "Je moet laten zien dat je gek genoeg bent."
De sollicitatie ging verder met een carnavalesk examen: Martijn moest alle consulaten en hun carnavalsnamen aanwijzen op een kaart en in de stad op zoek naar voorwerpen in Oeteldonkse en Berlicumse kleuren. "De sollicitatie was middenin de zomer, dus ik heb op regenlaarzen en in korte broek door de binnenstad van Den Bosch gerend. Ik schaam me niet dus dat heb ik maar gedaan.”
“De napoleonsteek, die heeft mijn vrouw uiteindelijk gemaakt.”
Martijn moest ook zelf zijn outfit regelen: een rood jasje met gouden banden, witte broek, zwarte schoenen en een napoleonsteek. “Dat jasje heeft de eerste consul ruim tien jaar geleden aangeschaft, dus het was heel lastig om er één te vinden die erop lijkt”, vertelt hij. Dat is gelukt, in tegenstelling tot de napoleonsteek. “Ik heb in tientallen winkels en online gezocht, maar helaas niets gevonden. Uiteindelijk heeft mijn vrouw er zelf één gemaakt.”
Na maanden voorbereiden, mag Martijn zich nu officieel consul van het elfde Oeteldonks consulaat noemen. Trots zegt hij: “Dat ik de elfde ben, is al speciaal. En ik woon ook nog eens op huisnummer elf. Dat is een leuk extraatje."