Stankrechtszaak omwonenden van veehouders gaat verloren
Slechtst twee Brabantse omwonenden kregen wel gelijk van het hof. In hun omgeving is de stank zó erg dat de overheid maatregelen moet nemen om de stank te verminderen. Ook moet de Staat een schadevergoeding betalen. Omdat één van hen met hulp van de overheid is verhuisd, heeft de Staat daar aan zijn verplichting voldaan, laat het hof weten.
Nog steeds in de stank
Geert Verstegen van het Brabants Burgerplatform voert het woord namens de omwonenden. "Voor de veertien die geen gelijk hebben gekregen, is het balen", zegt hij. "Maar dat doet aan de uitspraak niets af. Ook in dit hoger beroep is (deels) in het nadeel van de Staat besloten."
Tegelijkertijd maakt dat voor de omwonenden weinig verschil, ziet hij. "Zij zitten allemaal nog steeds in de stank, met alle gevolgen van dien." Omwonenden gaven aan dat de stank hen misselijk maakt en hen dwingt om hun gedrag aan te passen. Zo kunnen ze bijvoorbeeld hun was niet buiten laten drogen, blijven ze binnen bij mooi weer en moeten ze ergens anders in hun huis slapen als het in hun slaapkamer stinkt.
Stanknormen
Veertien omwonenden kregen dus geen gelijk van het gerechtshof. Eerder was een rechter het wel met hen eens dat de Staat niet genoeg doet om hen te beschermen, omdat er meer stank was gemeten dan wettelijk toegestaan. Maar het hof houdt in zijn oordeel rekening met de normen voor stankoverlast die het RIVM hanteert.
Waarom kregen veertien mensen geen gelijk?
Van de zestien omwonenden krijgen er maar twee gelijk van het gerechtshof. Dat betekent niet dat er bij de anderen geen sprake is van een slechte leefsituatie. Zo stelde één van de bezwaarmakers dat hij last heeft van een 'extreem slechte' situatie door de veertien veehouderijen in zijn buurt die allemaal stank veroorzaken. Maar op papier kon hij alleen de stankoverlast van de dichtstbijzijnde boer aantonen. Van de opstapeling van stank door alle bedrijven samen was geen berekening. Voor het gerechtshof is het daardoor niet mogelijk om een hard oordeel te vellen, al sluit het hof een 'extreem slechte' situatie ook niet uit.
Vanaf 25 'odeur units' (Ou) per kubieke meter is er volgens het RIVM sprake van de categorie 'extreem slecht'. Daarmee is het volgens het hof aannemelijk dat de stank een directe impact heeft op de persoonlijke levenssfeer van omwonenden. Ook is hun leefsituatie dan in strijd met een deel van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In de vorige uitspraak hield de rechter nog rekening met de wettelijk toegestane geurnorm van 19,4 Ou/m3. Bij alle omwonenden werd die norm overschreden, maar bij veertien mensen kwam die dus niet boven de 25 uit.
Opstapeling
Het hof benadrukt dat het gebruik van een hogere norm in deze zaak niet betekent dat er onder 25 Ou/m3 geen sprake meer is van een ongezonde situatie. "Dit moet per individueel geval worden beoordeeld en hangt af van concrete omstandigheden", schrijft het hof. Het noemt daarbij onder meer de opstapeling van stank uit meerdere veehouderijen.
Dat niet één enkele veehouderij, maar juist een opstapeling van stankbronnen voor een slechte leefomgeving zorgt, konden de bezwaarmakers nu niet bij de rechter aantonen. "Die berekeningen hebben we niet laten maken, omdat ze lastig en heel duur zijn", zegt Verstegen. "Eigenlijk zou de overheid dat zelf moeten doen om zich aan haar eigen zorgplicht te houden." Hij denkt met de berekeningen in de hand een betere kans te maken bij de rechter.